Er was eens een prachtige jonge kater van acht maanden oud, met ogen als goud en een vacht zo zacht dat je bijna niet kon geloven dat hij echt was. Zijn naam was Kiwa.

Kiwa was geen diva. Nee hoor. Kiwa was een kleine prins.

Een prins die niet op een troon zat, maar het liefst midden op het kleed lag. Met zijn pootjes vooruit, zijn mooie koppie omhoog en zo’n blik alsof hij precies wist hoe knap hij was. En eerlijk gezegd: hij had gelijk.

Maar achter dat serieuze, bijna koninklijke gezichtje zat vooral een ontzettend lief kereltje. Kiwa wilde namelijk helemaal niet ingewikkeld doen. Hij wilde geen groot avontuur, geen druk paleis en geen deftige regels

Kiwa wilde maar drie dingen.

Spelen.
Knuffelen.
En daarna nog een keer spelen.

Als er ergens een speeltje bewoog, stond Kiwa meteen aan. Zijn gouden ogen werden groot, zijn oortjes gingen naar voren en hup — daar kwam hij aan, als een zachte zilverwitte pluizenwolk met pootjes. Soms stoer, soms onhandig, maar altijd met volle overtuiging.

En als het spelen klaar was, kwam de andere kant van Kiwa tevoorschijn. De zachte kant. De knuffelkont.

Dan kroop hij dicht tegen je aan, warm en tevreden, alsof hij wilde zeggen:
“Zo. Nu ben jij van mij.”

Zijn zachte lijfje, zijn lieve snoet en die rustige blik maakten van elk gewoon moment iets bijzonders. Want Kiwa hoefde niet veel te doen om je hart te stelen. Eén blik was genoeg. Eén zacht pootje. Eén klein knuffelmoment.

Kiwa is geen diva.

Kiwa is een prachtige, lieve, speelse jonge kater — een echte zachte knuffelprins, die het leven vooral heel simpel ziet:

waar gespeeld wordt, moet hij bij zijn.
waar geknuffeld wordt, hoort hij in het midden.
en waar liefde is, daar ligt Kiwa al lang klaar. 🐾✨